Algemene beschouwingen 27 mei 2010
Op 27 mei 2010 houden provinciale staten de algemene beschouwingen. Tijdens deze vergadering worden de politieke lijnen uitgezet voor de begroting van 2011 en verder. Er zijn op dit moment veel onzekerheden zijn over toekomstige inkomsten van de provincie.
Hieronder is de bijdrage van de ChristenUnie-fractie aan de eerste termijn van deze beschouwingen te lezen. De statenvergadering is ook na te kijken op internet via deze link.
Meneer de voorzitter, geachte leden van provinciale- en gedeputeerde staten,
In 2011 is het 25 jaar geleden dat de provincie Flevoland werd opgericht. In deze 25 jaar is Flevoland zowel in bestuurlijke als in fysieke zin uitgegroeid tot een volwaardige provincie. En ondanks dat sommigen menen dat onze provincie koud, saai en lelijk is, is de ChristenUnie trots op wat er in de afgelopen decennia op Flevolandse bodem aan steden, samenleving, werkgelegenheid, natuur en landschap is gerealiseerd. Over mooi en lelijk valt te twisten, maar de tekst van Mak Zeiler in het Flevolandse volkslied kan mijn fractie van harte onderschrijven: ‘De natuur laat zich hier gelden, dieren kiezen nest of hol, en de wijde vergezichten, stemmen ons zo vreugdevol!‘
De tekst van het Flevolandse volkslied is ook in ander opzicht actueel: ‘waar wij steden doen verrijzen op de bodem van de zee, onder Hollands wolkenhemel, tellen wij als twaalfde mee’. Op het moment dat wij vandaag beschouwingen houden staat het middenbestuur ter discussie, en deze discussie laat ook Flevoland niet ongemoeid. Je zou je bijna af gaan vragen of wij nog steeds als twaalfde meetellen. Laat ik voorop stellen dat de ChristenUnie-fractie het college complimenteert met de inzet in de diverse dossiers die op dit moment actueel zijn: niet alleen de positie van de provincies in bestuurlijk Nederland, maar ook de samenstelling, verdeling èn omvang van het provinciefonds vragen een actieve en strategische lobby. Wij zijn ervan overtuigd dat het college in deze en andere dossiers de positie van Flevoland met verve behartigt, en willen daarbij de goede informatie-uitwisseling tussen college en staten niet ongenoemd laten. Binnen onze mogelijkheden heeft onze fractie in de afgelopen periode een actieve bijdrage aan deze lobby willen leveren, en ook voor de toekomst zijn wij daartoe graag bereid. De wijze waarop het college en de staten daarin met elkaar optrekken is door de ChristenUnie als plezierig ervaren.
Vandaag zijn de voorjaarsnota 2010 en de kadernota 2011-2014 aan de orde. In de kadernota kiest het college ervoor om niet te komen met voorstellen die leiden tot verhoging van de uitgaven. In het licht van de onzekerheid die er is over toekomstige inkomsten uit –onder andere- het provinciefonds een keuze die de fractie van de ChristenUnie onderschrijft. Wij voelen ons daarbij wel ambivalent: gelet op de huidige onzekerheden valt deze keuze te verklaren en vanuit strategische overwegingen ook te waarderen. Het nu voorliggende financieel kader maakt echter ook pijnlijk duidelijk dat de ambities die horen bij een jonge provincie die nog volop in ontwikkeling is, niet bereikt kunnen worden met de op dit moment beschikbare middelen. Daarin zit dus ook de keerzijde: er is nog zoveel te doen, en daar komen we met de nu beschikbare financiële middelen dus ook niet aan toe. Deze spanning speelt niet alleen bij de reguliere taken, maar nog veel meer bij de schaalsprong van Almere. In het IAK zijn hiervoor al belangrijke afspraken gemaakt, maar het moet duidelijk zijn dat Almere en Flevoland van rijkswege in een positie gebracht moeten worden om ook een kwalitatieve schaalsprong te maken. Op z’n Hollands gezegd: het Rijk moet boter bij de vis leveren.
Met de nu beschikbare informatie kan geen sluitend meerjarenperspectief gemaakt worden. Hoewel 2011 nog sluitend lijkt te zijn, worden voor 2012 en later grote financiële tekorten verwacht. In deze tijd van onzekerheid is er nog ruimte om een keuze voor de manier waarop we met deze tekorten om zullen gaan voor ons uit te schuiven. Gelet op de legitimatie van de claim en de inzet van het college vertrouwt ook mijn fractie erop dat ‘de soep niet zo heet gegeten zal worden’ en dat een herverdeling van het provinciefonds voor Flevoland gunstig uit zal pakken. Deze hoop mag ons echter niet afleiden van een andere vraag, namelijk: doen we als provincie de dingen die we moeten doen, en doen we ze goed. Een vraag die ook in de bestuurskrachtmeting aan de orde is gekomen. Een vraag waarmee het college ook de Flevolandse samenleving is ingegaan. In een gesprek met mede-overheden is gebleken dat ook bij gemeenten de taak, maar vooral ook de rol van de provincie niet vanzelfsprekend is. In een samenleving waarin netwerken een steeds belangrijker rol gaan spelen, zal ook de overheid zich moeten ontwikkelen tot netwerk-organisatie. Dit betekent voor de ChristenUnie dat de provincie als middenbestuur haar positie in het speelveld moet bepalen aan de hand van de positie van andere spelers: soms dichtbij, en op andere momenten meer op afstand. Soms als grote broer, in andere situaties als een ouder die vanaf afstand toekijkt.
Het gaat niet alleen om de vraag of je als provincie verantwoordelijkheid neemt, maar ook om de vraag of je dingen kunt loslaten. De positie in het speelveldveld is echter niet alleen afhankelijk van de positie van anderen, maar moet vooral ook gebaseerd zijn op de vraag welke overheid door burgers verwacht wordt. Wanneer wij –en dan bedoel ik gemeenten, waterschap en provincie- met elkaar in staat zijn om onze positie te beredeneren vanuit de vraag welk type overheid de burger van ons verwacht, dan is de structuur waarin we dat organiseren niet het begin, maar juist de uitkomst van de discussie. De ChristenUnie-fractie is graag bereid om vanuit dit vertrekpunt de discussie met de Flevolandse samenleving verder te voeren en roept het college op dit ook te doen. Daarbij mogen we ons ook kwetsbaar opstellen in de vraag welke structuur nodig is voor een betere overheid en een betere dienstverlening.
De bestuurskrachtmeting heeft ons inzicht gegeven in ons eigen functioneren. In de verschillende commissies is hierover al gesproken, daarom wil mijn fractie voor dit moment zich beperken tot één specifiek onderwerp dat ook in het ‘profiel provincies’ nadrukkelijk terugkomt: onze lobby in Europa. Daarbij twee constateringen: de samenwerking en wisselwerking tussen Europa en de regio’s wordt steeds belangrijker, en ten tweede: de staten zoeken naar een manier waarop ook wij daar op een goede manier bij betrokken kunnen worden. Recente bezoeken aan Brussel, de contacten in Randstadverband en de workshop Europa hebben ook bij mijn fractie bijgedragen aan verdere bewustwording. Binnenkort zullen we in de commissie Bestuur hier verder met elkaar over spreken, maar wat ons betreft zal en mag dit een start zijn van een stevige(r) relatie tussen deze staten en het thema Europa. Zo’n stevige relatie vraagt dan wel een ondersteuning die ook een sterke rol van de staten mogelijk maakt.
In de afgelopen jaren hebben de staten diverse ambities met betrekking tot hun eigen rol uitgesproken en is ook een begin gemaakt met de realisatie daarvan; tegelijkertijd worden individuele statenleden, fracties, commissies en de staten als collectief ook geconfronteerd met goede voornemens die stranden in schone bedoelingen. Natuurlijk blijft dit eerst en vooral de verantwoordelijkheid van de statenleden, maar het kan zeker ook niet zonder professionele ondersteuning. De ChristenUnie steunt daarom van harte het voorstel om de statengriffie in formatie beter te faciliteren; het zal ons als staten helpen om onze eigen werk beter te doen.
Hiervoor heb ik al iets gezegd over het ‘open-einde’ in het financieel meerjarenperspectief en hebben wij ons vertrouwen uitgesproken in het succes van de onderhandelingen over herverdeling van het provinciefonds. Deze onzekerheid maakt dat ook de ChristenUnie pas-op-de-plaats wil maken als het gaat om het claimen van nieuwe ambities.
Ondanks onze waarderende woorden voor de informatievoorziening vanuit het college rond de bestuurlijke dossiers, merken wij ook op dat er met enige regelmaat steken vallen. Het gaat dan om situaties waarin het college al mijlenver voor de staten uitloopt, of de staten vergeet. Recente voorbeelden zijn het moment waarop de staten besluiten over begrotingswijzigingen worden voorgelegd of bijvoorbeeld het niet nakomen van toezeggingen in de commissies. Daar waar aan de ene kant de verhouding tussen staten en college zich lijkt te ontwikkelen naar een partnerschap, krijgen wij op andere momenten soms het idee dat het college de staten een vervelende bijkomstigheid vinden. Laat ik volstaan met het vaststellen dat dit absoluut niet in lijn is met hetgeen het college hierover in haar collegeprogramma heeft opgenomen. Zonder tekort te doen aan de duale verhoudingen binnen onze staten, mag de bestuurscultuur tussen staten en college in dat opzicht ook wel wat zakelijker worden: afspraak is afspraak, en als een afspraak niet wordt nagekomen spreken we elkaar daar op aan.
Gelukkig zijn er ook veel zaken die goed gaan; in de voorjaarsnota wordt gemeld dat uitvoering van de lopende begroting op schema ligt en kunnen veel zaken met succes doorgang vinden. In het laatste jaar van deze regeerperiode zullen ook veel zaken afgemaakt moeten worden. De grondverwerving in het Oostvaarderswold lijkt voorspoedig te lopen en de realisatie is aanstaande. Als controleur op hoofdlijnen worden de staten geïnformeerd over de voortgang van de grondverwerving, maar de wereld die hier achter schuil gaat is niet altijd zichtbaar. De ChristenUnie wil daarom nogmaals benadrukken dat wij inzetten op maximale minnelijke verwerving.
In een onderhandelingsproces moet van beide kanten bewogen worden, maar dat blijkt niet altijd mee te vallen wanneer je de mogelijkheid tot onteigening in je achterzak hebt. Laat duidelijk zijn dat de ChristenUnie de mogelijkheid tot onteigening alleen als allerlaatste instrument wil hanteren; wij roepen het college daarom nogmaals op om maximaal in te zetten op minnelijke verwerving. De uitkomst van alle onderhandelingen is inmiddels wel van dien aard dat de beschikbare middelen niet voldoende zijn om op dit moment alle aangeboden gronden te verwerven. De daarmee ontstane situatie onderstreept des te meer de noodzaak van een provinciaal grondbeleid. Wellicht kan het college aangeven wanneer wij de aangekondigde beleidsnota ‘op weg naar een Nota Grondbeleid’ kunnen verwachten en bespreken. Het is overigens niet de eerste keer dat de ChristenUnie hier naar vraagt. Een actief grondbeleid brengt niet alleen kansen voor de realisatie van ruimtelijke opgaven, maar brengt ook risico’s met zich mee. In het statenvoorstel voorfinanciering grondaankopen Oostvaarderswold worden een aantal van deze risico’s benoemd; de vraag is daarom niet alleen welke risico’s er zijn, maar ook hoe deze beheerst gaan worden.
Behalve het Oostvaarderwold zijn er ook andere lopende en nieuwe initiatieven die op dit moment opvallen. Omwille van de tijd kunnen wij daar op dit moment maar kort aandacht aan geven. Allereerst is dat de mogelijke oprichting van een duurzaam energie-bedrijf. U kent allen de warme belangstelling van mijn fractie als het gaat duurzaamheid. Dat warm hoeft u overigens niet al te letterlijk te nemen, wij zijn ook geïnteresseerd in innovaties die ‘koud’ zijn, denk daarbij aan WKO. Als vervolg op een eerste bespreking in de commissie Ruimte zullen wij binnenkort in de commissie met voorstellen komen die een eind moeten maken aan de koudwatervrees die er soms (b)lijkt te bestaan. Wij willen onze waardering voor het initiatief om te komen tot een duurzaam energiebedrijf nogmaals benadrukken en stellen het op prijs dat het college de staten hierin in zo’n vroeg stadium betrokken heeft.
Extra aandacht blijft nodig voor de versterking van het voorzieningenniveau. Het ‘waar wij steden doen verrijzen. . ‘ is zo eenvoudig nog niet. Het zou aanleiding kunnen zijn voor een nadere gedachtewisseling over de maakbare samenleving, maar feit blijft dat bestuurlijke inzet noodzakelijk blijft om de achterstanden op gebied van zorg, cultuur, sport en onderwijs weg te werken. Dat het daarbij niet alleen om kwantiteit maar ook om kwaliteit gaat wordt telkens duidelijk in de jeugdzorg. De ChristenUnie vindt het jammer dat de bestuurder die hiervoor binnen het college bijzondere verantwoordelijkheid draagt besloten heeft iets anders te gaan doen. Hoewel we het inhoudelijk misschien niet altijd met gedeputeerde Bos eens waren, heeft de gedeputeerde altijd blijk gegeven van een warm hart voor de jeugdzorg.
Behalve het hoger onderwijs en het speciaal onderwijs, willen wij op dit moment ook aandacht vragen voor het MBO. Binnenkort zullen de statencommissies Samenleving en Werk op bezoek gaan bij het ROC Flevoland. Het aanbod en de kwaliteit van middelbaar beroepsonderwijs is niet alleen voorwaardenscheppend voor het HBO, maar minstens net zo belangrijk als vormend element voor grote delen van onze samenleving. Daar komt bij dat in een tijd waarin de arbeidsmarkt stagneert ook het aanbod van leerwerkbanen en stageplaatsen wellicht onder druk komt te staan. Een krachtig beroepsonderwijs in alle delen van onze provincie is daarom essentieel voor een vitale samenleving; ondanks de beperkte rol voor de provincie moedigen wij het college aan om te blijven werken aan versterking van het MBO-onderwijs.
Behalve onze jeugd is ook het bedrijfsleven direct belanghebbend bij sterk onderwijs. Met de komst van Windesheim is een belangrijke stap gemaakt die in de toekomst betekenisvol zal blijken te zijn: het is een investering in de toekomst waarin heel Flevoland in de breedte de vruchten van zal kunnen plukken. Bij het aantreden van dit college is een ambitie van 25.000 arbeidsplaatsen geformuleerd. Voormalig gedeputeerde Bouwmeester sprak in ander verband altijd over ‘reële doelen met ambitie’. Het aantal van 25.000 is in ieder geval ambitieus, of het reëel is zal nog moeten blijken. Behalve het stimuleren van startende ondernemers en het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, wil de ChristenUnie in dit verband ook aandacht vragen voor het uitbuiten van de centrale ligging voor vestiging van overheidsorganisaties. Behalve 6000 studenten, brengt de komst van Windesheim immers ook honderden arbeidsplaatsen met zich mee. Naast alle al bestaande lobbydossiers kan dit onderwerp wat ons betreft gerust toegevoegd worden aan de lobby-agenda.
Ik ga naar een afronding , hoewel er veel dingen nog niet genoemd zijn. Ook het woord crisis bent u in onze bijdrage in deze termijn nog niet tegengekomen. Veranderende omstandigheden zijn onmiskenbaar van invloed op het al dan niet realiseren van doelstellingen; in de voorjaarsnota en de kadernota wordt hier door het college al veelvuldig naar verwezen.
Wij begonnen onze bijdrage met enkele citaten uit het Flevolandse volkslied, en willen daarmee nu ook afronden. In het refrein wordt gezongen dat het fijn is om te wonen, te werken en te leven in onze geliefde provincie Flevoland. Het is onze wens en ons gebed dat staten, college en ambtelijke organisatie van de provincie Flevoland hieraan blijvend een bijdrage kunnen leveren. Wij wensen daarom allen die in welke zin dan ook verbonden zijn aan de ontwikkelingsopgave van Flevoland veel wijsheid en Gods zegen toe in het werk dat wacht.
ChristenUnie Statenfractie
Roelof Siepel